Zondag 26 september 2021, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Jeremia 7:1-11 en Matteüs 21:10-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op startzondag 26 september 2021 om 17.00 uur in de Oudshoornsekerk van de Protestantse Gemeente te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Op veel fotomateriaal van sociaal-cultureel leven in Europa uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw staan grote gezinnen afgebeeld, die zich huisvesten in relatief kleine woonruimtes. Meerdere kinderen sliepen in een ledikant of bedstee, werden gewassen in een tobbe in de keuken en één ruimte had vaak meerdere functies. De huishoudsamenstelling van Europeanen in de tweede helft van de twintigste eeuw en de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw is gemiddeld kleiner dan in de twee eeuwen die eraan vooraf gingen. Uitgaande van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek kun je tot krimp van de bevolkingsgroei en privatisering concluderen. Een kleiner aantal mensen neemt in verhouding meer ruimte in.

Had u als kind, jongere, adolescent een eigen plaats die u met niemand anders hoefde te delen? Heeft u nu ergens een oord gecreëerd, waarin u zich thuis voelt? Is er een ‘stukje grond’ waarop u zich veilig voelt en uzelf kunt zijn? Als een kind opgroeit, heeft het vaak behoefte aan een persoonlijk domein, een klein naar eigen smaak ingericht ‘koninkrijk’ waar het op kan gaan in de eigen wereld. Het construeren van hutten in hoge bomen, het inrichten van bouw- en poppenhoeken in peuterspeelzalen en kleuterscholen, en het markeren van loungeterreinen en hangplekken voor jongeren in de openbare ruimte faciliteren een ‘drang’ ruimte te benutten voor de ontwikkeling van de eigen identiteit. Het aanbrengen van scheidingen in privéruimten en het publieke domein voorziet in de mogelijkheid voor met name kinderen en jongeren zichzelf te ontdekken, de eigen denkwereld te creëren, zorgeloos te spelen, sociaal te interacteren met leeftijdsgenoten, met andere ‘hobbyisten’ een gedeelde passie te beoefenen en een persoon te worden.

Zoals een jongere in het huidige tijdsbestek oeverloos kan gamen, voetballen of te vinden is op de halfpipe van een skatebaan, op vergelijkbare wijze kon Jezus van Nazareth urenlang ‘spelen’ in de synagoge. Deze joodse religieuze ruimte was een van de weinige gebouwen die een sfeer ademde waarin hij zich kon vinden. Hoewel hij zich later ontwikkelde tot een idealist, zijn ‘systeem’ wilde doorvoeren in de politiek en een goed besef had van ‘hoe de financiële wereld in elkaar zat’, zette hij al z’n kaarten op de religie. In de wereld van de geest werden volgens hem baanbrekende beslissingen genomen. In de synagoge bestudeerde hij de Thora, voerde er geloofsgesprekken met de rabbi’s van zijn tijd, bad en mediteerde er. Hij vergat dan pardoes openings- en sluitingstijden. Bij het vallen van de avond stond een bezorgde, onrustige moeder Maria bij de ingang: waar hij nu toch bleef, ze hadden met het hele gezin op hem gewacht, waren alvast begonnen, ze had wat van de vissoep en het gevulde brood bewaard.

Maria had opgemerkt dat Jezus weinig gaf om persoonlijke ruimte thuis, meer aandacht had voor een boek dan voor koek en anders was dan andere kinderen. Hij was een dromer, iemand die met zijn gedachten altijd ‘in de dingen van zijn vader’ was. Een vader die zich bij uitstek in synagoge en tempel liet vinden. Op z’n twaalfde kreeg Jezus van die vader de ‘opdracht’ verantwoordelijkheid voor anderen te dragen.

Inmiddels oud genoeg om voor zichzelf te zorgen, was het zijn taak de religie in het publieke domein een heilige ruimte te laten zijn en uit te breiden met een ‘ziekenhoek’ voor de lammen en de blinden. Een oude traditie verbood deze mensen – wellicht vanuit een misplaatste angst voor besmetting – de tempel binnen te treden. De farizeeërs hanteerden deze traditie als een universele, tijdloze regel.

De lamme en de blinde konden niet rekenen op de reguliere ziekenhuizen zoals wij die vandaag de dag kennen of op extra voorzieningen binnen een instelling als ‘de gezondheidszorg’. De emancipatie van mensen met een functiebeperking liet nog op zich wachten. Rollators, rolstoelen, prothesen, extra leuningen, vlonders en opstaphulpstukken, een aangepaste woning, braille en inspreekapparatuur zijn typisch moderne uitvindingen. De lamme en de blinde werden dubbel gevictimiseerd: vanwege een gebrek aan vitaliteit bevonden zij zich in een economische achterstandspositie en ook in de tempel werd hen de toegang geweigerd. Die scheiding van de sociaal-religieuze gemeenschap leidde tot isolatie en intens persoonlijk lijden.

Jezus had niet lang gedelibereerd, nam religieus gezien een liberale positie in en gaat de toegankelijkheid van de tempel vergroten voor de mens die zich futloos voelt en (nog) niet in staat is om voor het eigen brood te werken. Hij biedt deze mensen een volwaardige plaats in de samenleving aan. Jezus beschikte niet over de medische expertise lammen en blinden in somatische zin te genezen en een ‘wonderdokter’ was hij evenmin. Maar met het verbreken van een oude godsdienstwet zet hij een revolutionaire stap die ervoor zorgt dat het sociale leven van ‘lamme en blinde’ weer zo wordt doorbloed, dat de afstand die zij hadden tot de arbeidsmarkt wordt verkleind. De tempel fungeerde namelijk niet alleen als een religieuze ruimte, een gebedshuis – ze was ook sociaal van aard. Tempelgangers van heinde en verre en uit alle geledingen van de samenleving en het bedrijfsleven verzamelden er zich, ontmoetten elkaar, dialogiseerden en wisselden informatie uit. De blinde ging naderhand naar huis met ideeën over werk en inkomen. Haar kwam ter ore dat men in een muziekzaak in Jeruzalem zocht naar iemand die instrumenten kon afstemmen en repareren. De lamme deed er contacten op die bereid waren hem te vervoeren en op die wijze zijn mobiliteit vergrootten.

Er zijn ‘schriftplaatsen’ waarin auteurs getuigen van de visie dat religie niet tot ethiek is terug te voeren. Godsdienstige handelingen belichamen in die gevallen een denkwijze en existentiesfeer die buiten de ethiek valt en vaak ‘overtreft’. Jeremia en Matteüs zijn een religie- en cultuurkritiek ineen, omdat religie en cultuur een denkbeeld en praktijk in leven houden die neerkomt op de discriminatie van ‘gehandicapten’ en sociale en economische ongelijkheid in stand houdt.

Profeet en evangelist waren zo verontwaardigd over die stand van zaken, dat zij hun literaire activiteit aanwendden om de geloofwaardigheid van de religie en het volgens hen misplaatste vertrouwen in religieuze riten aan de orde te stellen. Als er een plaats was waar de minderbedeelde terecht moest kunnen om er haar of zijn hart ‘tegenover God’ uit te storten, zo niet bij binnenkomst een VIP-kaartje zou krijgen, dan toch wel de tempel. En om z’n statement nog wat kracht bij te zetten, had Matteüs via een kinderkoor de populariteit van Jezus doen toenemen. Hij had ze laten zingen in de tempel: ‘Hosanna, de zoon van David.’ Ze waren het roerend met Jezus’ voorstel eens. Je kunt hun engagement vergelijken met een actie waarover ik enige tijd geleden op het internet las. Langharige meisjes in de basisschoolleeftijd waren bereid hun lokken af te knippen voor de vervaardiging van pruiken voor kankerpatiënten die door de chemo hun haar misten.

Matteüs had een ‘benefietconcert’ georganiseerd in de stadsgehoorzaal van Jeruzalem. Jonge meiden met engelachtige stemmen en ‘koorknapen’ hadden in de weken voor de uitvoering een handtekeningenactie gehouden en de petitie aan ‘de burgemeester’ aangeboden. Honderden tekeningen hingen als vlaggen in de tempel te wapperen. De zaal zat stampvol met ouders, docenten, patiënten, zwervers, politici, mensen uit LHBTI+-kringen, economen, afgevaardigden van de gezondheidszorg, medewerkers van welzijnsorganisaties, vrijwilligers, juridici, de koninklijke familie, wezen, weduwen, journalisten en verslaggevers.

En ergers in een hoekje op de tweede verdieping zat op stoelnummer tweeënvijftig Jezus van Nazareth en leunde vanaf het schouwburgerlijk baldakijn ingespannen voorover. Het was zijn compositie die vanavond ten gehore zou worden gebracht. De koordirectie lag in handen van Matteüs, die de echte concertmeester was. Geroezemoes ging door de zaal, een golf van opwinding vulde de ruimte, in een jaszak ging een smartphone af. Doodse stilte nu, hooggespannen verwachtingen, zweetdruppels parelden van voorhoofden. Het doek ging op en op het podium stonden een paar honderd kinderen in roodfluwelen kooralbes en openden hun zwarte multomappen. Aan weerszijden lagen baby’s met fopspenen vredig in maxicosi’s en kinderwagens heen en weer te wiegen, hingen in hangmatten of draagdoeken. Peuters deden een slaapje in buggy’s. Elk kind had haar of zijn zangpartij inmiddels voor zich. Matteüs keek geconcentreerd naar de partituur die voor hem lag, tikte met z’n baton op de standaard, haalde zijn wenkbrauwen op, spreidde zijn armen en begon te dirigeren.

Die avond klonk uit de mond van kinderen en zuigelingen een lofzang die de neerslag vertolkte van ‘een hemelse maatschappij’ waarin een ieder gelijke kansen had. Tijdens het applaus spoedde Jezus zich naar beneden en nam via de foyer een achterdeur richting de binnenstad, op zoek naar een overnachtingsmogelijkheid.

Amen