Zondag 20 november 2022, Protestantse Gemeente Voorhout

Preek naar aanleiding van Job 19:23-27a en Marcus 13:28-37 uit de Naardense Bijbel voor de Gedachteniszondag op 20 november 2022 om 10.00 uur in De Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente Voorhout

Gemeente,

De vertolker van het Marcusevangelie was erg jong toen hij al doortrokken was van een doodsbesef. Aan een bewustzijn van de dood ontleende hij ook zijn gedachten over de opstanding. Die opstanding is hemels. ‘Marcus’ liep vaak langs de straten van de pijn, door het woud van de eenzaamheid, vertoefde op de wegen van het lijden. De mensen die hij tegenkwam nam hij nauwkeurig waar, hij las hen aandachtig als waren zij boeken. In de rimpels van hun huid zag hij de verscheurdheid van hun wezen en hoopte dat zij in het paradijs eeuwig zouden leven; dat uitgerekend hen een ereplaats was toebedeeld door te zitten aan de rechterzijde van Christus. ’s Nachts lag hij uren wakker, tobde heel wat af, hoorde roepen in het duister door armzaligen van kracht.

De evangelist heeft Jezus niet gekend, behoorde tijdens het leven van Jezus niet tot diens kennissenkring. Maar via verhalen, overleveringen en zijn fantasie was deze figuur wel voor hem gaan leven en hij volgt daarin de voorstellingswereld van de eerste eeuw. ‘Marcus’ kon het niet laten Jezus op te hemelen, hem te verheerlijken. Als een persoon of ‘de werkelijkheid’ niet terugpraat, vindt vaak romantisering plaats. Marcus’ beeld van Jezus werd niet bijgestuurd, gecorrigeerd. Voor hem was Jezus een hemelse verschijning, een geestelijk lichaam dat zomaar ergens kon opduiken, een model waar hij zich aan optrok.

Zoals je nauw aan iemands borst of voeten kunt liggen die je liefhebt, zo trokken de apostelen van Jezus met hem op, liepen college in Galilea en Judea, volgden zijn aanwijzingen op en waren ooggetuige geweest van zijn lijden en sterven. De auteur van het Marcusevangelie was geen tijdgenoot van Jezus. De evangelistengroep waar hij deel van uitmaakt, moest het hebben van horen zeggen en Marcus ging hierin eigen wegen. De figuur van Jezus was Marcus’ onzichtbare referentiepunt, dat zijn begrip van de eindigheid liet verankeren in de oneindigheid. Als Marcus Jezus zag en met hem sprak dan gebeurde dat in zijn geest. Zijn belangstelling ging niet zozeer naar de historische Jezus uit, al vormde die wel de springplank voor zijn hemelse wandelingen met Jezus.

Hij onderhield vanuit zijn historische leven een ahistorische relatie met Jezus, die zijn oorsprong vond in God. Die oorsprong maakte dat de betekenis van Jezus voor hem veel meer was gelegen in hoe hij Jezus na diens dood nu dagelijks ervoer. Terwijl niemand het in de gaten had, stond Marcus dagelijks met Jezus op en ging met hem naar bed. Het was een zijnswijze die zich binnen een niet-aanschouwelijk gebeuren kon voltrekken.

Ik vermoed dat nabestaanden in de beleving van Marcus kunnen meekomen. Want ook als een partner, familielid, vriend(in) is overleden, blijft een nabestaande zich tot de overledene verhouden. De dialoog gaat door, die ander blijft aanwezig in ‘zelfgesprekken’, waarin de overledene zich verrassend nieuw kan openbaren. Het moment waarop de overledene zich aandient is niet te voorspellen, die ander is er niet op afroep. Je staat ergens, je draait je om en plotsklaps ‘staat’ de ander daar als levensecht.

Het Marcusevangelie is een proeve van een relatie tussen een aanschouwelijk mens tot een niet-aanschouwelijk mens. Het evangelie leest als een roman, waarin de tijdelijkheid van de mens wordt vereeuwigd. Het goede nieuws is dat die vereeuwiging een geruststelling kan betekenen. ‘Marcus’ rustte in Gods persoonlijkheid. Nu hij in God was en leefde, hoefde hij niet terug te blikken en herinneringen op te halen aan de overledene. Marcus hoefde na Jezus’ dood niet een heel ander leven te gaan leiden, met nieuwe rituelen, overtuigingen en activiteiten. Hij erfde Jezus en stond op vertrouwde voet met hem als was hij een oude bekende.

In de cognitieve ervaring van Jezus’ aanwezigheid was het voor Marcus bijna onmogelijk existentieel te treuren. Hij ging als auteur en prediker zelfstandig te werk en gedijde goed in zijn verhouding tot een niet-zintuiglijk waarneembare realiteit. De gedachte aan de dood maakte hem niet zwaarmoedig en creëerde voor hem niet een gapende leegte of een pijnlijk gemis. Hij kon luchtig over de dood doen, zag er de nietigheid van in, voer er een toneelstuk over op als in hoofdstuk dertien vers achtentwintig tot zevenendertig, en kon er met humor over vertellen.

De bedoeling van zijn opvoering is niet apocalyptisch van aard. Alsof een mens aan de kosmos een einde der tijden zou kunnen aflezen. Marcus daagt de lezer(es) uit, waarschuwt in een geanimeerde stemming, omdat hij de mens die ten dode toe bedroefd is, wil bemoedigen en wil wenken naar de plaats vanwaaruit hij naar de dood kijkt.

Leefde Marcus in de wereld die draaide om de notie van tijd, richtte hij zich op de dingen en op de mens, zoals die zich aan hem voordeed, dan ervoer hij een enorme afstand van God. En als ‘Marcus’ mijlenver bij God vandaan was, dan zag hij nergens de zin van in. De wereld werd klein en het beslissende bleef uit. Was hij ‘in God’, dan werd al het aanschouwelijke, de psychologie en de fysica tot stof en as. Hij had de gedachte aan God als tegenpool nodig om de invloed van het materiële te beperken.

De aantekeningen van de apostelen die hij overgeleverd had gekregen, hadden hem al schrijvend in staat gesteld van een dode een levende te maken. Hij had ze minutieus gelezen, er verhalen van gemaakt, gaten opgevuld, zijn schrijverschap was een passie geworden. Ongemerkt was hij in zijn levenswerk verzopen en het had van een jongeman die niet wist wat hij met zijn leven wilde een heel bepaald soort nieuwe mens gemaakt. Want telkens wanneer hij zich in de geest tegenover Christus plaatste, dan verscheen hij op een manier zoals hij voorheen voor zichzelf niet verscheen. Ongelofelijk! In de ontmoeting kwam hij anders tegenover zichzelf te staan. Zijn beeld van Jezus fungeerde als een spiegelbeeld, waardoor hij inzag dat hij niet samenviel met zichzelf. De openbaring en aanschouwing van de overledene, dat betekende een opwekking uit de doden. De enige malen waarop Christus echt stierf en ‘Marcus’ met hem was, was wanneer hij níet geloofde, want dan zag hij niets meer. In zo’n staat zweeg hij niet, aanbad niet en hield hij geen halt bij de tekenen des tijds. In de aanwezigheid van de zoemende bij zag hij niet langer een fenomenologie van het voorjaar.

Marcus wil de lezer(es) bepalen bij het heden en zowel het verleden als de toekomst daarin laten rusten. Wanneer die drie verschillende tijdsdimensies bij elkaar komen en als een geheel worden beschouwd, dan kan een mens eeuwigheid hier en nu ervaren – al is die ervaring zelf van korte duur. Marcus symboliseert dat ogenblik bloemrijk met de korte tijd tussen het bloeien van de vijgenboom en het uitbotten van het blad. Het is een bloeiperiode die ongeveer een maand in beslag neemt. Mocht u ooit zelf eens een gewas geplant, gepoot of gezaaid hebben, dan herkent u wellicht het opgewonden gevoel waarmee je het eerste opschietende kruid of de vruchten van een plant of boom kunt verwachten.

Zoals een moeder op het schoolplein haar kind kan opwachten en het liefdevol omhelst, zo stond Marcus dagelijks op wacht tot de overledene aan hem zou verschijnen. Niet als een illusie, een droom of hallucinatie, maar als het object van zijn hoop. In die omgang met de dood schuilt een bevrijdend effect, omdat de dood een te openen luik, een venster is niet naar een andere wereld, maar naar een andere omgang met de geliefde, dan toen zij of hij nog leefde. Wie de dood als een drempelmoment opvat waarna het leven met de persoon die je tijdens je leven hebt uitverkoren en aanbeden doorgaat, kan het zichzelf makkelijker maken de dood te aanvaarden, dan wie de dood ziet als de laatste deur waar een mens doorgaat. De breuk tussen jou en de ander wordt erdoor hersteld. Het gezamenlijk leven gaat op een ongewone manier verder. In deze interpretatie is de dood van een gestorvene niet het hele verhaal, en je hoeft er geen visionaire figuur, mysticus of evangelist voor te zijn om haar te accepteren. Het enige dat je ervoor nodig hebt is voorstellingsvermogen en een verhaal.

Amen

Zondag 2 oktober 2022, Protestantse Gemeente Moordrecht-Gouderak, zondag 16 oktober 2022, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn & zondag 13 november 2022, Gereformeerde Kerk Dinteloord en Steenbergen

Preek naar aanleiding van Marcus 1:16-22 en Marcus 8:34-38 uit de NBV21 voor de kerkdienst op zondag 2 oktober 2022 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Moordrecht-Gouderak, op zondag 16 oktober 2022 om 10.00 uur in de Oudshoornsekerk te Alphen aan den Rijn en op zondag 13 november 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk Dinteloord en Steenbergen te Dinteloord

Gemeente,

De navolging van Christus, is dat niet te hoog gegrepen? Moet je dat wel willen? Behelst die navolging niet een bovenmenselijke of liever onmenselijke denkstijl en levenswijze? En, wat zou die navolging tegenwoordig kunnen inhouden, eventueel in onderscheid tot wat het ten tijde van het schrijven van het Marcusevangelie inhield? Zou je er niet goed aan doen, ongeacht de tijden, de navolging van Christus niet aan te bevelen, maar integendeel, vanuit de conclusie dat ze onnavolgbaar is, haar ten strengste moeten ontraden? Dit zijn enkele bezwaren die een lezer of geroepene zowel destijds als nu zou kunnen hebben ten aanzien van de navolging van Christus.

Kennelijk niet voor Simon, Andreas, Jakobus en Johannes, want terstond laten ze, zonder pardon, arbeid en familie achter zich om Jezus onvoorwaardelijk te volgen, niet eens wetend wat die navolging betekende en wat het vissen van mensen impliceerde. Begrepen deze vissers wel waarop ze met hun navolging ja zeiden, voor ze hun jawoord gaven en hun huidige bestaan opgaven om, ja om wat eigenlijk? Hadden ze er niet goed aan gedaan zich vooraf wat beter te laten informeren over de inhoud van de navolging? Waren ze daar niet te slecht op voorbereid? Hun reactie op de uitnodiging tot navolging was er een van spontaniteit en gehoorzaamheid, maar was dat dus wel zo verstandig? Was dat programma van de navolging niet veel te rigoureus en te radicaal, zodanig dat ze het van de hand hadden moeten wijzen of er op z’n minst voor hadden moeten bedanken? Hoe is het mogelijk dat de oproep tot navolging voor hen niet zeer ongelegen komt?

Of hadden ze goede redenen, voorstelbare motieven, zoals een behoefte aan avontuur, reislust om hun leven, zoals ze het tot dusver hadden geleefd te beëindigen en een ander, nieuw, onvertrouwd leven te gaan leiden? Of zou je deze schrijversstrategie van de auteur toch anders moeten lezen, bijvoorbeeld als een om de figuur van Jezus wat meer gezag toe te kennen door te laten zien hoe gezwind en, althans zo lijkt het, gedachteloos deze vier vissers hun netten achter zich laten, een onbekende toekomst tegemoet?  

We hebben vanochtend passages gelezen uit een evangelie, waarin de auteur antwoord geeft op de vraag wie Jezus van Nazareth volgens hem was. Hij beantwoordt die vraag ten overstaan van een lezerspubliek, dat voornamelijk bestond uit christenen met een heidense achtergrond. U ziet dat bijvoorbeeld aan de keren dat de auteur beschrijft en uitlegt wat Jezus deed en welke uitwerking dat had op de mensen met wie hij zich engageerde. Zoals een Griek een niet-Griek een barbaar noemde, zo noemde een christen een niet-christen wel een heiden. De auteur legt voormalige heidenen uit wat typisch christelijke praktijken zijn.

In de manier waarop de auteur Jezus van Nazareth portretteert doet hij iets gewaagds en contrasterends ten opzichte van zijn omgeving: in de context van Rome met zijn heldenverering gaat hij uiteindelijk een lijdensfiguur uittekenen. Nu kunnen we dit verhaal op veel verschillende manieren proberen te begrijpen, bijvoorbeeld door te kijken naar de geografische aanwijzingen, de thematieken of de reacties van de figuranten. Wij kijken vanochtend naar de thematiek van de navolging in dit verhaal. We laten ons daarbij door twee vragen leiden, namelijk: waar herken je een volgeling, een navolgeling van Christus aan? En, wat zou het vandaag de dag kunnen betekenen een navolgeling van Christus te zijn?

Over de identiteit van Jezus van Nazareth is veel geschreven en vooral gespeculeerd. Vanuit historisch perspectief weten we enkel, dat hij een jood was en Aramees sprak. Het portret van Jezus zoals dat ons schriftelijk wordt overgeleverd door de auteur van het Marcusevangelie, gemotiveerd door zijn eigen psychologische, theologische en politieke belangen, is zijn geïdealiseerde variant van een figuur van wie hij dacht dat zijn lezers daar baat bij hadden, namelijk een van een bevrijder uit veel religieus-politieke benauwdheid zoals vervolgingssituaties. De auteur van het Marcusevangelie laat Jezus als een filosoof, anarchist en hervormer optreden, omdat deze vervolgingssituaties voor veel van zijn voorgangers en tijdgenoten fataal is afgelopen dan wel nog nauwelijks is uit te houden. De ene na de andere beperking werd ingevoerd, het welbevinden, het doorzettingsvermogen en de lijdzaamheid van zijn tijdgenoten werd zwaar op de proef gesteld. Het gebrek aan vrijheid van denken en leven in zijn land had van een auteur die eerder veel vrijblijvender schreef, op slag een evangelist en pastor gemaakt. Om zijn medechristenen door de crisis heen te helpen, gaat hij hen literair een hart onder de riem steken.

De lezers van het Marcusevangelie gedroegen zich moreel, zolang zij gesocialiseerd waren, dat wil zeggen zich hielden aan de civiele wetten en sociaal geldende normen van een elite, maar kwamen hiermee op basis van hun persoonlijke overtuigingen hoe langer hoe meer mee in conflict. Nu zij vanwege een deel van die overtuigingen, van religieuze aard, worden vervolgd, is dat voor de auteur reden een geschrift, zijn evangelie, te laten verschijnen, waarin hij zal oproepen tot maatschappelijk onaangepast gedrag. Dat doet hij door Jezus te karakteriseren als een voorbeeldfiguur die de bestaande orde problematiseert. Hij benadrukt de contextualiteit en historische bepaaldheid van civiele wetgeving en normen, die, bovendien, met name de belangen dienen van een kleine, invloedrijke, vermogende groep mensen. De wetten die zij produceerden en de normen die zij bedachten, waren niet universeel, maar moesten worden gezien als constructen die binnen een cultuur waren ontworpen door een selecte groep mensen op grond van eigenbelang.

Het geldende gezag deed deze constructen met haar eigen veronderstellingen en vanzelfsprekendheden voorkomen als in het algemeen van toepassing. De evangelist echter plaatste ze tussen haakjes en zag ze als relatief. Sterker nog, hij zou zijn lezerspubliek uiteindelijk oproepen om te breken met deze normen om hogere doelen te bereiken.                                                                                    

Doch eer het zover is, laat hij Jezus heel vaak in het publieke domein optreden als een figuur die door transgressies te plegen en scheidslijnen te laten vervloeien, inbreuk maakt op de heersende orde, waardoor de een hem als een bevrijder zag en de ander hem als een bedreiging ervoer, afhankelijk van wat je te winnen of te verliezen had. Maar of je hem nu enerzijds de koosnamen verlosser, godszoon of vredevorst toedichtte of hem anderzijds de scheldnamen raddraaier, relschopper of oproerkraaier meegaf, beide groepen waren het er over eens dat het met de entree van Jezus van Nazareth in het openbare leven met de maatschappelijke rust wel was gedaan. En dit was slechts het begin. De evangelist zal het gedragskenmerk van grensoverschrijding in toenemende mate doorvoeren door Jezus te doen kennen als een figuur die elk gezag relativeert ten opzichte van de godsverhouding. Naast de oproep tot verzet tegen de staat en sociale normen, en tot het verlaten van have en goed zal daar in de loop van Jezus’ optreden de oproep bijkomen geweld niet met geweld, maar met geweldloosheid te beantwoorden en desnoods het eigen leven te offeren ter wille van een ander mens.   

De navolging van Christus, dat lijkt een handleiding voor asociaal en onnavolgbaar gedrag, want on- en bovenmenselijk gedrag, niet? De evangelist laat Jezus niet zeggen dat de vier mensen die hij oproept tot navolging, de leidinggevenden van het volk moeten volgen. Het lijkt wel alsof Jezus met zijn oproep begint met de vorming van een nieuwe gemeenschap, een andere samenleving door vier mensen te werven, die de kern zullen vormen van een apostolische groep, waarin je als geroepene dus niet primair wordt gezien als lid van een staatsgemeenschap. Op het moment dat Simon, Andreas, Jakobus en Johannes instemden met de navolging, werden zij geen lid van een politiek georganiseerde samenleving, maar van een groep die geloof, geweldloosheid en opofferingsgezindheid als bestaanswijzen uitdroeg. In die apostolische groep golden veelal andere normen en regels dan in de burgerlijke samenleving gebruikelijk was. Niet zelden stonden ze er haaks op.

De navolging van Christus impliceert een inbreuk op het bestaan, waartoe de oproep urgent, complex en dramatisch te noemen is, aangezien het de manier waarop mensen zichzelf en anderen definiëren, de rollen die zij in het dagelijks leven spelen, bevraagt en relativeert. Je positie in politiek en sociaaleconomisch opzicht werd ermee naar een tweede plan geschoven. Wie een volgeling van Jezus van Nazareth wilde zijn, diende te breken met overtuigingen, werd gemaand zichzelf opnieuw uit te vinden en gedragsveranderingen in gang te zetten. In een bekering werd het eigen bestaan van de volgeling in een crisis geplaatst, zij of hij heroriënteerde zich op een nieuw bestaan, dat de volgeling vaak in oppositie met vermeende vromen en autoriteiten bracht. De navolging van Christus, dat is geen sinecure. Geroepenen zijn er vele, maar uitgelezenen weinig.

Amen

Zondag 25 september 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 9 oktober 2022, Bethelkerk Den Helder & zondag 30 oktober 2022 Houtrustkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 25 september 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 9 oktober 2022 om 10.00 uur in de Bethelkerk te Den Helder en op zondag 30 oktober 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk 11 vers 1 tot 9 doet is een profetie schrijven waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt. Aan het eind van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging om het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een ‘stadium’ waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een ‘fase’ van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen.

Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam zijn profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen om een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken omdat ze vaak in algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Een historicus neemt besluiten over zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet is een hoop in het vooruitzicht stellen waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid, want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei. Rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin. Omstanders van wieg, box, buggy of Maxi-Cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen dan wist hij: kijk, God is met ons. In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus, aangezien Johannes hem met schroom ‘binnenhaalt’. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide personen kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk één die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collega’s in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met de kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert leven.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid. Er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen mens en ‘dat wat de mens overstijgt’ wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht ‘naar God’ heeft aanvaard, mag wensen dat die reis waarop zij onbekende havens binnenvaart, lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij een lezeres, liever urenlang in het midden van een boek hangen dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen

Zondag 29 mei 2022, Johanneskerk Leersum, zondag 3 juli 2022, boerderij De Hoef Leidsche Rijn, zondag 10 juli 2022, Waterstaatskerk Schagerbrug, zondag 17 juli 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 24 juli 2022, Houtrustkerk Den Haag, zondag 31 juli 2022, De Ark Berkel, zondag 7 augustus 2022, Protestantse Wijkgemeente Holy Vlaardingen, zondag 14 augustus 2022, Oude Kerk Heemstede, zondag 21 augustus 2022, Pauluskerk Breukelen, zondag 21 augustus 2022, Schoterhof Kennemerhart Haarlem, zondag 28 augustus 2022, De Ark Hendrik-Ido-Ambacht, zondag 4 september 2022, Christus Triumfatorkerk Den Haag, zondag 11 september 2022, Open Pastoraat Gorinchem & zondag 18 september 2022, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van Sefanja 3:12-20 en Romeinen 6:3-11 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 29 mei 2022 om 10.00 uur in de Johanneskerk te Leersum, op zondag 3 juli 2022 om 10.00 uur in boerderij De Hoef van de Protestantse Gemeente Leidsche Rijn, op zondag 10 juli 2022 om 10.00 uur in de Waterstaatskerk te Schagerbrug van de Protestantse Gemeente Zijpe, op zondag 17 juli 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 24 juli 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag, op zondag 31 juli 2022 om 10.00 uur in Gereformeerde Kerk De Ark te Berkel, op zondag 7 augustus 2022 om 10.00 uur in de Protestantse Wijkgemeente Holy te Vlaardingen, op zondag 14 augustus 2022 om 10.00 uur in de Oude Kerk van de Protestantse Gemeente Heemstede, op zondag 21 augustus 2022 om 10.00 uur in de Pauluskerk van de Protestantse Gemeente Breukelen, op zondag 21 augustus 2022 om 19.00 uur in Schoterhof van Kennemerhart te Haarlem, op zondag 28 augustus 2022 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente De Ark te Hendrik-Ido-Ambacht, op zondag 4 september 2022 om 10.00 uur in de Christus Triumfatorkerk te Den Haag, op zondag 11 september 2022 om 10.00 uur bij het Open Pastoraat te Gorinchem en op zondag 18 september 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

In de Zweedse film De grote stilte die Ingmar Bergman in 1963 produceerde, staat de leegte in het leven van mensen centraal. Tijdens een reis die twee zussen maken, wordt een van hen ziek, waarna zij met een zoontje van een van de zussen in een hotel in een Noord-Europese stad verblijven. In dat grote logement voelen de zussen zich lusteloos. Ze raken gedesinteresseerd, verveeld, worden hangerig en ergeren zich aan elkaar.

Bergmans De grote stilte is het laatste deel van een trilogie over geloof. De zussen in Bergmans film hadden een doel voor ogen, een reisbestemming in gedachten. De vaart van hun leven zat er goed in. Als dat ‘levenstempo’ onvoorzien en ongewenst wordt vertraagd, is een vraag hoe elk van beide vrouwen met die onderbreking omgaat. Beide vrouwen ontwikkelen een vorm van alcoholisme en pikken willekeurig een man in een bar op. Het is de beleving van de tienjarige jongen die naar wegen zoekt om zich te vermaken, waardoor op de ‘holle tijd’ die de volwassen vrouwen ondervinden de nadruk komt te liggen.

Binnen de religie vallen er verschillende soorten stiltes te ontwaren. Tijdens het brengen van een offer is er sprake van een liturgische stilte. Eerbiedige stiltes worden in acht genomen bij het uitvoeren van rituelen. Mensen zijn massaal stil als er een bepaalde dag aanbreekt en voor het uitspreken van een religieus oordeel zijn hoorders stil. Aan het moment waarop Sefanja had besloten de stilte te doorbreken was een periode voorafgegaan waarin er geen profetische stem meer had geklonken. Jesaja en Micha waren de laatsten geweest die nog visionair optraden, visies uitsponnen waarin ze hoorders perspectieven voorhielden om hen uit te dagen iets te doen waarvan ze niet wisten dat ze ertoe in staat waren.

Nadat Jesaja en Micha zich niet langer in de openbaarheid vertoonden en stierven, was het stil geworden. Die stilte vormde een groot contrast met de alarmerende signalen die doorklonken in de kreten van de profeten. Er werden geen idealen meer geproclameerd, dromen niet gerealiseerd en mensen toonden niet veel ambitie. Na een periode van turbulentie in een samenleving kan een stilte heilzaam werken. Maar in de tijd van Sefanja kwam het leven er zelf door stil te liggen. Er heerste een rust en onbeweeglijkheid die onvrijheid verrieden in plaats van vrijheid die te herkennen is aan bedrijvigheid en drukte. Wat Sefanja met zijn visie doet, is antwoord geven op de monotonie, de eentonigheid van zijn tijd die problemen zoals een gebrek aan voedselvoorziening en oorlogsvoering met zich meebrachten. Zo zet hij ingrijpende religieuze hervormingen in gang. Sefanja probeert de motoren van het leven zelf weer aan de praat te krijgen door op te roepen handelingen te verrichten in een tegenovergestelde richting dan de wijze waarop mensen in zijn omgeving dat gewend waren. Het afleren en aanleren van een levensstijl, zo hoopte hij, zou resulteren in een continue stroom van voedselproductie, vrede en veiligheid.

Net als Sefanja is ook Paulus te karakteriseren als een profeet, omdat hij een beroep doet op de innerlijke verandering van zijn adressanten. En er is nog een overeenkomst te noemen tussen profeet en apostel. Zoals Sefanja oproept tot tegennatuurlijk handelen, beweert Paulus dat een religieus gelovige die gedoopt is in de geest niet langer onder de wet valt. Paulus staat voor de taak te laten zien dat de wet, die slavernij in de hand werkt, geen betrekking meer heeft op de geestelijke mens die in vrijheid leeft. In de sfeer waarin de gelovige zich beweegt, denkt, voelt en handelt zijn de geboden niet langer van toepassing. Daarmee diskwalificeert Paulus de mogelijkheid van overtredingen en de invloed van vormen van controle en handhaving die een mens ontmoedigen. De bindende regels van de wet en de ongebondenheid van de geest bedienen zich van een ander taalveld, belichamen een andere denkwereld. Maar Paulus, in tegenstelling tot Sefanja, legt ook met behulp van theoretische reflecties uit en haalt symboliek aan om door middel van beelden te beschrijven hoe de geestesdoop van de gelovige in het heden plaatsvindt.

Zowel Sefanja als Paulus waren figuren die zich geconfronteerd zagen met het probleem dat mensen niet in staat waren zichzelf te bevrijden van hun gewoontes, routines, rituelen en wetten. De impact van herhaling en gehoorzaamheid werkte als een verslaving waar mensen dermate door ‘gedrogeerd’ waren dat ze zich er geestelijk en lichamelijk niet van konden distantiëren. Voor de oplossing van dat probleem treedt Paulus op als een idealistisch schrijver.

Dat idealisme van Paulus kun je lezen als een reisbeschrijving van de dood naar het leven, waarin hij voluit in gesprek is met heidense en joodse tijdgenoten. Leven met God, dat wil zeggen je verenigen met wat je optilt, je uittilt boven wat je terneerdrukt, lam slaat, betekent tegelijkertijd sterven voor alle negatieve invloeden. Een totale en definitieve scheiding, een breuk zoals de dood dat is. Die breuk kun je ‘sterven met Christus’ noemen en maakt je los van datgene wat je van God scheidt. In de vorming van het nieuwe mens-zijn, waarin je wordt verenigd met ‘je betere zelf’, kan een lange stilte vallen. Iets in je wordt teniet gedaan. Dood, dat wil zeggen manieren van doen waaruit de bezieling is verdwenen, transformeert in doop.

De gelovige is dan niet langer belast met bijvoorbeeld overgeërfde handelswijzen, gekopieerde manieren van doen, maar leeft in eenheid met het levende en in openheid naar de toekomst. Dan kan het aan de oppervlakte van een mens’ voorkomen stil lijken, doodstil, terwijl er ‘ondergronds’ van alles woelt. De vrome zegt over dat proces: “God is in de mens aan het werk.” Er vindt een ‘strijd’ plaats, waarin de geest wil zegevieren over al die invloeden die een mens naar beneden halen en die, als de overwinning daar is, de mens in staat stelt wilsbekwaam en capabel op te treden. In die acten van vrijheid toont een mens dat zij of hij boven de wet staat.

Amen

Donderdag 26 mei 2022, Maartenskerk Protestantse Gemeente Doorn

Preek naar aanleiding van Daniël 7:9-14 en Handelingen 1:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 26 mei 2022 om 9.00 uur in de Maartenskerk van de Protestantse Gemeente Doorn

Gemeente,

In de negentiende-eeuwse roman De idioot van Fjodor Dostojewski keert vorst Mysjkin na een lang verblijf in het buitenland terug naar Rusland. Tijdens zijn absentie blijkt de Russische samenleving al haar kaarten op de economie te hebben gezet. De figuur die mogelijk model heeft gestaan voor Mysjkin was de vijftiende-eeuwse Basilius de Zalige, die in de rol van ‘idioot’ het bewind van de tsaar Ivan IV Vasilyevich bekritiseert. In Byzantium, en in het bijzonder in middeleeuws Rusland, gold ‘dwaasheid’ als een christelijke waarde. De idioot vertegenwoordigt het ideaal van zelfontlediging en vernedering tot het uiterste, door afstand te doen van zijn intellectuele gaven en alle vormen van strategisch denken. Vrijwillig neemt hij het kruis van de idiotie op zich en vervult daarmee een sociale rol. De idioot was in die positie in staat mensen die macht hadden ‘vogelvrij’ te bekritiseren. To play the fool (het spelen van de dwaas) was een stap die niemand anders durfde wagen.

De auteur van Daniël zeven vers negen tot veertien is een cartoonist, die met visuele kunst een religieus commentaar schrijft op de kroning van een priester, zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd entertaint en adverteert voor een andere tempeldienaar. De historische aanleiding voor het in beeldtaal tekenen van zijn cartoons is de onvrede van een groep gelovigen over de opvolging van de hogepriester in de tempel. Zij koesterden de hoop dat de nieuwe geestelijke zich in eenvoudige kledij tooit, er een sobere levensstijl op na houdt, toegankelijke taal spreekt, gemakkelijk in de omgang is en gevoel heeft voor symboliek, rituelen en theater. De kandidaat die uiteindelijk werd verkozen tot nieuwe priester bleek uit de aristocratie afkomstig, zich te hullen in een bontgekleurde kazuifel, te wonen in een religieus paleis, vaker te vinden in een studeerkamer en lokale bibliotheken, dan in een biechthokje, een gedistingeerde taal te spreken, de sacramenten af te raffelen en zich te verplaatsen in een Lamborghini Murcielago.

Voor die benoeming was veel politiek in het spel. Machtsverhoudingen drukten hun stempel op ‘het verkiezingsproces’ en iemand die afkomstig was ‘uit het volk’, had weinig in het besluitvormingsproces in te brengen. De troonsbestijging was een selectief gebeuren en werd gekenmerkt door ongelijkheid. Het volk heeft echter één belangrijke troef in handen: zij weet zich te verenigen, is goed georganiseerd en trekt een plaatselijke schrijver, illustrator en striptekenaar aan die op komische wijze een parodie op de kroning uitbeeldt en een alternatieve installatie van een ‘kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder’ voorstelt. Die functionaris diende aan het profiel van ‘het volk’ te voldoen om hen optimaal te kunnen vertegenwoordigen en tegelijkertijd ontvankelijk te zijn voor ‘hemelse sferen’. Een figuur die ‘begrijpt’ wat transcendentie betekent, dat wil zeggen ‘ruimte’ die geen ruimte is, een leeg begrip dat mensen gemakshalve God noemen. Als die ‘wereld’ ter sprake komt, beginnen mensen vaak te stotteren en te stamelen, en gebruiken beelden en sacramenten om dat wat hen boven de werkelijkheid uittilt, uit te drukken. Een persoon die dat religieuze spel kan faciliteren en stroomlijnen is de priester. Wat de achterban van de cartoonist betreft is dat zowel iemand die van de aarde is, als iemand die met haar of zijn hoofd in de wolken loopt.

De cartoonist heeft de uitnodiging aangenomen en gaat het, in de ogen van het volk, falen van de huidige priesterlijke functionaris ruimschoots goedmaken met visioenen. Hij stelt zijn geest helemaal open voor ‘droomgezichten’, laat zijn fantasie de vrije loop en schuwt daarbij apocalypsen niet. Hij luidt het einde van een ambtstijd voor een voorganger in. Zijn taak zit erop, hij mag met emeritaat, nu kan hij vrij dromen. Visioen na visioen krijgt in Daniël zeven zijn neerslag. De cartoonist stelt zich een ‘verkiezingsronde’ voor die niet wordt belegd door commissies met leden die zo hun eigen belangen hebben. Hij geeft het vuur van ‘godverschijningen’ als leidmotief op voor de verkiezingsprocedure van de nieuwe priester. Zijn nieuwe priester vertoont veel trekken van een ideale mens: het is een oermens en eindtijdmens ineen. De manier waarop hij volgens de cartoonist invulling gaat geven aan het ambt is tijdloos: zijn optreden is oorspronkelijk, ‘fris’ en telkens nieuw. Een ambtsinvulling gebaseerd op de geest krijgt al gauw de contouren van onvergankelijkheid, volmaaktheid en onkreukbaarheid.

Die visie mag je als lezer(es) situeren in de context van Soekkot, dat is het joodse Loofhuttenfeest, een pelgrimsfeest dat culmineert in een acclamatie waarbij God als meerdere wordt erkend. De auteur van Daniël zeven geeft van dat feest een eschatologische interpretatie door er het einde van een oude en het begin van een nieuwe sociaal-religieuze orde mee in te luiden.

De tekst uit Daniël zeven en Handelingen een vertellen van een hemelvaart en lijken op de hemelvaart van een Henoch, Elia en op die van heersers en helden uit de Oudheid als Augustus en Heracles. Hoe verhouden beide teksten zich nu tot elkaar op het punt van hemelvaart? Als een mens is heengegaan, iemand van wie je gehoopt had dat zij of hij eeuwig zou blijven, dan kun je op de uitkijk gaan staan, blijven turen in de verte, wachten en hopen totdat een geliefde terugkomt. Elia was een aimabel mens, bij velen geliefd en door zijn populariteit ontwikkelde zich de breed gedragen joodse overtuiging dat Elia na zijn dood terug zou komen. En alle toekomstverwachtingen ten spijt kwam Elia niet terug. De hoop op een messiaanse figuur werd er bij de gelovige jood niet minder om. Het boek Handelingen wil laten zien hoe een voorspelling alsnog in vervulling gaat. Het is een soort grootschalige reddingsactie voor de André Hazes of Frans Bauer van Israël. Tijdgenoten van Jezus van Nazareth huldigden nationalistisch-politieke opvattingen over de messias en zijn koningschap en dragen die aspiraties op hem over.

Een verhaal over hemelvaart is ook te zien als een copingsstrategie voor verliesverwerking, dat wil zeggen een manier van omgang met het gemis van een gestorvene. Wie onverwachts een dierbare verliest, kan in een soort psychologische rollercoaster belanden. Je blijft om je heen kijken en zoeken naar tekens van leven van de overledene. Beelden van ‘die ene’ staan nog op het netvlies, haar op zijn aanwezigheid zindert na. Als nabestaande kun je op abrupte momenten als een toeschouwer getuige zijn van herinneringen die zich in de eigen menselijke geest voltrekken. Midden op een feestje, in het klaslokaal of tijdens een vergadering dwalen je gedachten, terwijl iemand spreekt, af, de rouwdragende droomt weg, hoort iemand niet meer. Er kan een nieuwsgierigheid ontstaan die zich uit in tenhemelschreiende vragen of idealistische denkbeelden: “Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Of, in modernere bewoordingen: hoe ga ik mijn leven zonder lief nu vormgeven en wel zo dat ik daar wel bij vaar?

Partners kunnen hun geliefde overal in zien. Winkelruiten spiegelen de persoon die haar of hem zo lief was. Via de populaire liederencultuur ontdek je dat velen met liefdesverdriet je zijn voorgegaan. De vioolconcerten van Brahms trek je emotioneel even niet. De frustratietolerantiedrempel die normaliter hoog ligt, is ineens drastisch gekelderd en heel snel bereikt. De krant lezen lukt niet meer, voor triviale kwesties valt geen geduld meer op te brengen, eten laat je staan – niets smaakt meer! – en er is nog weinig dat je interesse kan wekken. De horizon lijkt versmalt tot het punt waarop die ene overledene levensgroot voor je staat. Moeders snuiven nog vaak de geur op van een kledingstuk van een overleden kind, richten in huis een gedenkplaats op of verzamelen attributen en zetten die apart om de wereld, waarin die ander nog present was, weer op te roepen. Het lijkt wel of de gestorvene me met haar of zijn dood door de vingers is geglipt en ik heb tijd en houvast nodig om grip te krijgen op dat heengaan. Hoe kan dat beter dan door me te omringen met de restanten van de wereld waarin de overledene leefde?

Een oudere kan nog lang in gesprek zijn met iemand die is overleden of van haar of hem is gescheiden. Totdat iemand uit het vizier verdwijnt, uit het zicht is verdwenen, het moment waarop de persoon die voor een gelovige het menszijn het meest menselijk naderde en die in het Aramees ‘de mensenzoon’ wordt genoemd ten hemel vaart. Beelden versmelten, de achterblijver neemt afstand en de horizon verbreedt zich weer een beetje. Op naar Pinksteren!

Amen

Zondag 8 mei 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 15 mei 2022, Pietermankerk Zwijndrecht, zondag 22 mei 2022, Oecumenische Vereniging de Zendingskerk Ermelo & zondag 18 september 2022, Schoterhof Kennemerhart Haarlem

Preek naar aanleiding van Ruth 2:1-17 en Matteüs 12:1-9 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 8 mei 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 15 mei 2022 om 9.00 uur in de Pietermankerk te Zwijndrecht, op zondag 22 mei 2022 om 10.00 uur in Oecumenische Vereniging de Zendingskerk te Ermelo en op zondag 18 september 2022 om 19.00 uur in Schoterhof van Kennemerhart te Haarlem

Gemeente,

Het boek Ruth, of Roeth, is de tweede rol in de Tenach, de joodse bijbel. Ruth lijkt welhaast verscholen te staan tussen Rechters en Samuël. Het verhaal in het boek Ruth staat niet op zichzelf, maar vangt aan in de tijd van de rechters. Ruth is een feestrol die met het Wekenfeest, in het Hebreeuws Sjavoeot, wordt gelezen. Vanaf het begin van de oogsttijd, de Pesach-week, tellen joodse lezer(es)s(en) af en vieren op de vijftigste dag feest op een locatie in Bethlehem, dat ‘Broodhuis’ betekent.

Het boek Ruth bevat in grote lijnen een oogstverhaal. De naam Ruth betekent ‘vrouwelijke metgezel’ en Ruth doet haar naam eer aan, want of ze zich nu bij haar schoonmoeder Noömi vervoegt of bij de jonge vrouwen die bij Boaz in dienst zijn, Ruth is een reiziger, iemand die met een ander meegaat, haar of hem begeleidt. Ruth is een Moabitische vrouw die voor een Israëliet in eerste instantie een vreemdeling is. In het boek Ruth echter getuigt Ruth van de wil zich te voegen bij het joodse volk. Met dat getuigenis geeft ze ook te kennen de Thora in z’n geheel te omarmen.

Ruth en haar schoonmoeder Noömi zijn beiden weduwe. Alle mannen in hun leven zijn overleden. Uitgerekend Ruth zal later de stammoeder van David worden. Maar eer het zover is, moet de liefde in gang worden gezet. En dus speelt schoonmoeder Noömi op de achtergrond de rol van regisseuse. Zij is de persoon die vanachter de schermen relaties en arbeidgerelateerde zaken vormgeeft.

Wanneer wij Ruth twee vers een tot zeventien lezen, dan lezen we een dagboekfragment dat als titel heeft meegekregen “Een dag op het veld”, zoals je kunt berichten over een werkdag en de bijzondere voorvallen die zich daarop hebben voorgedaan. Ruth heeft het recht achter de maaiers aren te lezen en maakt van dat recht gebruik. Ruth leidt een buitenleven. Ze is niet iemand die in de huiselijke sfeer tot haar recht komt en rust niet voordat er, letterlijk, brood op de plank komt. Ruth wordt kostwinner, een eenverdiener die na de dood van haar geliefde niet de hort op gaat, achter de jongens aan die bij Boaz in dienst zijn, maar zich mengt bij de jonge vrouwen die eveneens bij Boaz werkzaam zijn. Ze legt zich toe op de voedselvoorziening voor zichzelf en Noömi, sprokkelt dagelijks haar kostje bij elkaar. De emancipatie van Ruth vormt een belangrijke sociale kracht: zij neemt deel aan maatschappelijke arbeid.

Ruth is niet onopgemerkt gebleven. Boaz, die jegens Ruth familieverplichtingen heeft, heeft zijn oog op haar laten vallen. De overleden echtgenoot van Ruth was familie van Boaz en op basis van die verhouding als naaste familielid heeft Boaz de plicht Ruth te huwen en voor nageslacht te zorgen. Deze familieplicht vormde een sociale regeling in ‘Israëls verzorgingsstaat’, een vangnet en te vervullen belofte om wie in sociale zin statusverlies zou lijden alsnog toekomst te geven. Maar dat is niet de manier waarop Boaz naar Ruth kijkt: hij beschouwt haar niet primair als een kinderloze weduwe die voor hem een potentiële huwelijkspartner vormt. Hij beschouwt haar evenmin als een vreemdelinge, maar als iemand die de moed en daadkracht had zich tot een cultuur te wenden die zij voorheen niet kende. En dat is de pointe van het betoog van de auteur: er kan pas iets nieuws ontstaan wanneer mensen met hun tradities breken. Ruth doet dat door haar geboorteland te verlaten en te integreren in een onbekende cultuur. Boaz door niet te gehoorzamen aan traditionele, ongeschreven regels.

Om te begrijpen met welk mechanisme Boaz breekt, schets ik kort een voorgeschiedenis. De Moabieten waren een aan Israël vijandig volk. Toen het volk Israël door de woestijn trok op zoek naar een eigen gebied, onthielden de Moabieten hen water en brood conform een regel onder nomaden. Vervolgens werd er een bepaling in de Thora opgenomen dat zolang het joodse volk leefde het nimmer vrede en het goede voor de Moabieten moest zoeken. Boaz zet deze vorm van wraak zelf op z’n nummer. Boaz overwint de vooroordelen die hij wellicht had wanneer hij ziet hoe trouw Ruth is jegens haar schoonmoeder Noömi, die gevlucht was vanwege een hongersnood. Ruth belichaamt de openbaring. Zij is de verrassende ontdekking die Boaz doet, de correctie op de wetsclausule. Als Boaz door Ruths optreden íets heeft begrepen, dan is het dat er een voorschrift is dat alle wetten te boven gaat en dat is: de liefde. Boaz is krachtig, doortastend en viriel. Hij neemt de rol van losser op zich. Door Ruth te huwen, verbindt hij zich een leven lang met een persoon. En op die wijze eindigt het verhaal Ruth met een huwelijk tussen een Moabitische vrouw en een Israëlitische man.

Ook Matteüs twaalf vers een tot negen wordt gemotiveerd door het verschil tussen banden die gebaseerd zijn op affectie als drijvende kracht en de instandhouding van structuren op basis van gewoonten. De eerste negen verzen van Matteüs twaalf bevatten een verhaal dat de rigiditeit thematiseert die tot uiting komt in het vasthouden aan de wet die samenhangt met de sabbat. Er waren vormen van arbeid, zoals oogsten, waarvoor op de sabbat een verbod gold. De farizeeën zagen het plukken van graan als een vorm van oogsten. Nu kent de auteur van het Matteüsevangelie zijn joodse bronnen. Hij heeft veel van het Oude Testament geërfd en heeft weet van geschriften buiten de Hebreeuwse bijbel. Met die voorkennis laat hij Jezus de invloedssfeer van de farizeeën betreden door hem de synagoge te laten binnengaan. Met zijn onderwijs richt de auteur zich via Jezus tegen een concentratie op de wet. In de dialoog die hij opzet, confronteert hij de farizeeën met een nieuwe didactiek, die uitgaat van ruimdenkendheid op basis van sociale zin als vervulling van de wet.

Welke invloed hadden de wetsbepalingen nu op het idee van de sabbat? De sabbat is een woord dat ‘ophouden’ betekent, je arbeiden en bedrijvigheid staken, met als doel bevrijd te worden van enige vorm van slavernij en jezelf rust te gunnen. Dat kan op ieder moment. De sabbat is niet voorbehouden aan een dag. Maar in plaats van dat wetgeving ten dienste stond van de vervulling van menselijke behoeftes, leken ‘wetsbeijveraars’ de bepalingen zelf van belang te vinden. Zij spiegelden een gebruik dat omwille van het gebruik zelf in stand werd gehouden, zelfs al belette de naleving ervan de honger van menig mens te stillen. Wetten waren in plaats van instrumenten doelen op zich geworden. Matteüs twaalf vers een tot negen is dus ook een verhaal over onbegrip en groeiende weerstand van wetsdenkers tegenover religieus anarchisme. Het religieus anarchisme dat Jezus en de discipelen voorstaan, wordt gevoed door de centrale gedachte dat God heerst. Dat God heerst wil zeggen, in staat zijn te begrijpen wat het doel is van een wet en die wet tussen haken te plaatsen als het de behoeften van mensen frustreert. Ook op de sabbat staat compassievol handelen centraal. De wet? Die staat in je hart geschreven, en toch, aldus de auteur, is begrip van sociale situaties waarin tegemoet wordt gekomen aan de fysieke en psychologische noden en verlangens van concrete individuen belangrijker dan het volgen van rituelen. Rituelen stellen zelf ‘weinig’ voor. Het zijn herhalingen die in het teken staan van iets anders.

Onze wereld staat vermoedelijk ver af van de arenlezers die de achtergebleven korenaren na de oogst bijeenzamelen. Wij plukken geen graan langs de randen van een akker. Ook zijn we wellicht geen wetslezers die zich bezighouden met het interpreteren en handhaven van wetten. Wij zijn echter wel mensen die zoeken, vinden, oprapen, verzamelen, recyclen en leven van het nalatenschap van anderen. Wij lezen en interpreteren teksten, elkaar en situaties, spellen woorden uit, herlezen en worden op die wijze bij onszelf bepaald.

Het kan gebeuren dat je niet begrijpt hoe een enkele mens in je bestaan komt, maar dat uitgerekend deze mens je redt van patronen en een leven dat omringd wordt door allerlei ge- en verboden. Of dat je in de stappen die je zet je omgeving zo beïnvloedt dat mensen erdoor groeien. Het aanbreken van het hemelse koninkrijk kan betekenen regelgeving in het licht van nieuwe ontwikkelingen bij te stellen of met losse structuren te werken. Dan neem je deel aan een nieuwe manier van denken en doen die zowel je geestelijke, intellectuele als existentiële honger stilt en wordt Gods rijk hersteld.

Amen

Zondag 24 april 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 24 april 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen, waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes alles uit de kast, of liever, uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar Johannes mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte. De realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in een keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geestoproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het Johannesevangelie is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord “wereld” tegenkomt, dan duidt “wereld” op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, hij deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting. Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door polemiek, noch door identiteiten, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in onszelf, zingt binnen de lichte muziek ook Andra Day met haar Rise Up.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.

Amen

Zondag 20 maart 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 27 maart 2022, Gereformeerde Kerk Dinteloord, zondag 3 april 2022, Protestantse Gemeente Wormerveer & zondag 10 april 2022, Houtrustkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van Exodus 34:27-35 uit de Naardense Bijbel en 1 Korintiërs 13:1-13 uit de Herziene Statenvertaling voor de kerkdienst op zondag 20 maart 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, uit de NBV21 voor de kerkdienst op zondag 27 maart 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Dinteloord, voor de kerkdienst op zondag 3 april 2022 om 10.00 uur in de Kerk aan het Noordeinde van de Protestantse Gemeente Wormerveer en uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 10 april 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag

Gemeente,

Het boek Exodus is geschreven tijdens de glansjaren van twee koningen in de tiende eeuw voor Christus. Exodus bevat volksliteratuur, waarin de auteurs met gevoel voor drama tal van gebeurtenissen uitvergroten. De drama-literatuur in Exodus biedt tegenwicht aan de praktijk van het vasten, dat beoogt een mens innerlijk en fysiek te reinigen van gif-en afvalstoffen. Na de uittocht uit Egypte, het land van de afhankelijkheid, waar een mens de eigen vrijheid aan een ander heeft verkocht, de doortocht door de Rode Zee, symbool voor de ‘plaats’ waar een mens geen vaste grond onder de voeten heeft, de beproeving van ervaringen, die een mens bitter kunnen maken, en de strijd tegen de Amalekieten, ofwel, mensen die ons met hun verwachtingen terugdringen in oude rollen waarin we niet kunnen leven, na dat alles is het tijd voor een verheerlijking op een berg. Verheerlijking betekent dat een mens ontvankelijk wordt, zich openstelt voor inzichten van buitenaf.

In het boek Exodus staan zowel het loskomen van patronen die een mens onderdrukken, als het optrekken naar een groots festijn centraal: beide breukmomenten zijn samengevat in de geloofservaring van Israël. De uittocht van het volk Israël kunnen we begrijpen tegen de achtergrond van uitbuiting. Mensen waar ook ter wereld wordt in Exodus de mogelijkheid voor ogen gesteld om pogingen van medemensen tot manipulatie te ontmaskeren en daar geen genoegen mee te nemen door op een plaats te gaan leven waar men wel een humaan bestaan kan opbouwen. Wie buiten de oevers van Exodus treedt, kan zien dat de beweging van een uittocht en een intocht een schema is dat in veel Bijbelse verhalen terugkeert.

Volksliteratuur kan nauwelijks zonder een held. In het boek Exodus is Mozes de held aan wiens geboorte de status van een Hebreeuwse verlosser wordt toegeschreven. Zijn jeugd wordt beschreven en op zijn leidersrol wordt gezinspeeld. Hij is vooral een bemiddelaar, wordt geportretteerd als een intermediair die openbaart wat het verstand niet kan begrijpen. Mozes leefde voor het volk Israël, droeg de last ervan en ontwikkelt een visie op hun welzijn. Hij zal het grote vertrek van een groep geknechte mensen begeleiden, hun uittocht gestalte geven, hen helpen zich los te scheuren uit de tichelbakkerijen van de farao, maar niet, voordat er een theofanie, dat is een manifestatie van een godheid aan een mens, bij de Sinaï heeft plaatsgevonden.

Nadat Mozes veertig dagen op de berg vast, glanst zijn gezicht van licht. De berg staat voor enige plek waar het helemaal stil is en een mens vrij is van plannen, gedachten, zorgen, problemen en moderne slavendrijvers die je opjagen, onderwerpen aan eisen waar je niet aan kunt voldoen. Op de bergtop, hoog verheven, staat Mozes in het midden van zijn leven, houdt de ogen vast gericht op het land dat voor hem ligt. Mozes leeft alleen in de bergen, ver weg van de agitatie van de stad, het tumult op de markt en het spektakel van de cultuur. In de wildernis zorgt hij voor zijn schapen. In de stilte en gereinigd van enige emotie en lichamelijke zorg, wordt Mozes iets duidelijk. In de ‘wetteloosheid’ van de natuur staan hem enkele inzichten helderder voor ogen dan wanneer hij aan de voet van de berg, aan de rand van de samenleving geconfronteerd wordt met mensen die, moe en leeg, vanuit ontevredenheid hun beklag doen. Voor Mozes behelst dat inzicht dat ‘het goddelijke’ naar zijn eigen aard een grens heeft.

Na twee perioden van veertig dagen en nachten gaat Mozes zijn opvatting van het goede uithouwen in een nieuw stel stenen tafelen. Dat is Mozes ten voeten uit: hij schrijft goddelijke karakters in tabletten, geeft vorm aan een ethiek en test zijn ideeën daarover met behulp van de instrumenten in zijn handen. Nu zou iemand kunnen opwerpen dat Mozes er verstandig aan had gedaan een beetje in de pas te lopen met de geschiedenis om te harmoniëren wat hij op de berg van de godskennis had ervaren. Mozes echter is de man met de staf en de beitel: hoeder, leider en ambachtsman die laat zien dat zijn opvattingen over ‘hoe te leven’ en ‘wat te doen’ bewerkelijk zijn. Mozes de kunstenaar en wetgever ineen moet ze kunnen uithakken en met het grootste gemak ook weer kapot kunnen gooien.

Wat Mozes je leert is dat degene die zich intiem associeert met God voorbij moet gaan aan al wat zichtbaar is en geloven dat God daar is waar het begrip of de rede niet toe reikt. In de contemplatie van een transcendente natuur ontving Mozes de goddelijke ordinanties. De weg die Mozes daartoe bewandelt, is die van de zuiverheid van het lichaam besprenkeld met ‘religieus wijwater’. Hij vast.

Mozes doet nog iets meer: voordat hij de berg beklimt, wast hij zijn gewaad. Aangezien kleding bij het maken van een bergtocht of bergbeklimming gauw vuil wordt en een vlek de gang naar God niet belemmert, denk ik niet dat we de term ‘gewaad’ letterlijk moeten opvatten. Het gewaad vertegenwoordigt de uiterlijkheden van het leven waarin een mens zich kan hullen. Met de kleren om het lijf van Mozes worden zijn bezigheden bedoeld die samenhangen met zijn rollen. Wil God aan hem kunnen verschijnen, dan is een voorwaarde dat hij al zijn dagelijkse functies neerlegt. Pas in zijn naaktheid kijkt Mozes niet in een wazige spiegel naar zichzelf in alle ambten die hij bekleedt, maar wordt een scherpomlijnd, betrouwbaar beeld van hem weerkaatst. En dit is het Adamskostuum, de schone lei-conditie, waarin God een mens kan naderen. De mens die vervolgens overschaduwd wordt door Gods geest herstelt het ongebroken karakter van de eigen zijnswijze, wordt als het ware onsterfelijk door de letters, geschreven met een geestelijke pen.

In 1 Korintiërs 13 vers 1 tot 13 gebruikt Paulus het exodusmotief om de beperkingen van het mozaïsche verbond aan te wijzen. Hij doet dat op basis van zijn eigen apostolische ervaring en het is verankerd in zijn autobiografie. Met het oog op het doel om de restricties van de stenen tafelen naar voren te brengen, refereert Paulus aan de straling van Mozes’ huid. Mozes neemt een lichtverschijning waar, doet een ervaring van verblinding op, op het ogenblik dat God hem passeert. Wellicht zou je kunnen zeggen dat Mozes de plaats zag waar God zich eerder bevond. In het voorbijgaan ontstaat er een flikkering die onzichtbaar, ontoegankelijk is voor de mens die God recht in het gezicht wil kijken. Dat Mozes zijn gezicht met een sluierdoek moest bedekken en er een gloed op zijn gezicht verschijnt, wil zeggen dat hij in de toepassing van de wet vaak een oogje moet dichtknijpen.

De stenen platen zijn gemaakt van aardse materie en Mozes kon ze als een document doorsturen naar ‘de Ene’ die er zijn stempel op zou achterlaten. Een mens echter, kan de wet in letters van steen bij zich dragen, dat wil nog niet zeggen dat zij of hij begrepen heeft wat genade kan betekenen. Gratie, kwijtschelding, vergeving of volledige absolutie in het toepassen van de wet is een act waarin verbittering kan omslaan in zachtmoedigheid. De tafelen waarin Mozes de wet uitbikte waren van steen. Zonder liefde echter heeft geen enkele wet enige waarde: liefde is de conditie waaronder een wet kan gedijen. Liefde is voor Paulus als een uit te voeren opdracht en einddoel. Met het concreet beoefenen van de liefde tijdens het eigen leven laat de liefhebber de wet in Godwaartse richting opgaan.

Wat je van de apostel Paulus leert is dat in het geval van de liefde er slechts één grens is, en dat is, dat er aan liefde geen grens zit. Het goede, deugd heeft een limiet in zichzelf. Goed doen houdt een keer op, maar liefde wordt niet afgebakend door beperkingen. De apostel leert je een begrip van het ‘perfecte’ leven voor de mens. Het pad van de liefde is een voortreffelijke weg die niet begaanbaar is zonder gratie en daadkracht. Wie haar praktiseert maakt wat gebroken is heel en kan een nieuw perspectief bieden op mensenlevens.

Amen

Zondag 20 februari 2022, Gereformeerde Kerk ’s Gravenmoer, zondag 27 februari 2022, Bethlehemkerk Scharendijke en Pauluskerk Lisse, zondag 6 maart 2022, Vredeskerk Den Helder & zondag 13 maart 2022, Gereformeerde Kerk Woubrugge

Preek naar aanleiding van Genesis 12:10-13:11 en Filippenzen 2:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 20 februari 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te ’s Gravenmoer, op zondag 27 februari 2022 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk te Scharendijke van de Protestantse Gemeente Schouwen aan Zee en om 19.00 uur in de Pauluskerk te Lisse van de Protestantse Gemeente Lisse, op zondag 6 maart 2022 om 10.00 uur in de Vredeskerk te Den Helder en op zondag 13 maart 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge

Gemeente,

In de filosofie, de retorica en theorievorming over gespreksvoering is een ‘regel’ terug te vinden die lezer(e)s(sen) en sprekers kan helpen bij het interpreteren van een tekst of gesproken taal. Ik doel op het ‘liefdadigheidsprincipe’, waarbij je de statements van een spreker voor redelijk houdt en die je in de interpretatie ervan op hun best neemt en in geval van een argumentatie op hun sterkst ‘leest’. De interpreet weerspreekt een statement niet, gaat er niet over in discussie, valt het niet af, maar probeert het statement allereerst zo duidelijk mogelijk voor het voetlicht te brengen en bij te vallen. Op die liefdadige wijze gaan we ook de perikoop uit Genesis benaderen.

Hoofdstuk 12 van het boek Genesis begint met een familieportret, dat antwoord geeft op vragen van joodse kinderen naar hun specifieke voorgeslacht en meer in het algemeen op vragen naar de komaf van de mens, hoe zij is ontstaan en uitgegroeid tot een familie, stam, volk en mensheid. Voor de beschrijving van dat ontstaans- en groeiproces hadden de auteurs een oud en gewaardeerd mythologisch verslag in hun tekst verweven dat de status zou krijgen van een geliefd volksverhaal, waarin de algemene inzichten werden verwoord over menselijk gedrag in relatie tot God en diens vermeende bedoelingen met mens en wereld.

Abram doet een poging zijn toekomst veilig te stellen en illustreert in zijn handelwijze de tweeledige structuur van het mens-zijn. De Abramitische mens is een nomade die leeft in het heden, met z’n opgeslagen tent als bestaanszekerheid, en beweegt zich al reizende naar een toekomst die hij zelf al wel voorzien had, maar waarvan hij niet wist hoe die uit ging pakken. Sarai en Abram hebben de zegen ontvangen en zijn als aartsmoeder en aartsvader op weg naar een onbekend land, waar een vreemde koning de scepter zwaait. Abram heeft keuzes gemaakt, een onderneming in gang gezet, goedkeuring gekregen voor zijn ‘bedrijfsplan’ en gaat nu alles in het werk stellen om dat te realiseren. Hij gaat de zegen ‘uitwerken’, probeert de slagingskans ervan te vergroten. Het diepe vertrouwen waarmee hij zijn levensweg aanving en de stadia waarmee hij zijn leven doorliep, komen, nu hij met een andere cultuur kennismaakt, op losse schroeven te staan.

Oog in oog met andere denkwijzen en gebruiken is Abram uit z’n ‘comfortzone’ en gelooft hij niet meer zo rotsvast in de voorspoed die hem is toegezegd. In een act van ongeloof, een proeve van zwakheid wordt hij als door een tegenlicht verblind en brengt Sarai’s leven in gevaar. De patriarch van het Oude Testament wordt een bange man en in die angst neemt hij voorzorgsmaatregelen en is hij uit op eigen voordeel om zijn toekomst veilig te stellen.

Als je vanuit de 21e eeuw naar de schets van Abrams handelen kijkt, dan kan dat heel vanzelfsprekend en herkenbaar lijken. Op tal van terreinen – ik denk aan de psychologie, de hulpverlening en de levenskunst – wordt de gedachte van zelfcontrole gepromoot. Allerlei adviezen, initiatieven en interventies zijn erop gericht te stimuleren dat een mens ‘bewust’ leeft, zelf vorm geeft aan het leven, ‘erbij is’, zodat je eigen leven je niet door de vingers glipt. Die moderne westerse waarden van zelfaffirmatie en autonomie waren de gelovige, waar Abram model voor stond, in beginsel vreemd. Als er een boodschap is die dit verhaal wil uittekenen, dan is het het contrast tussen geloof en ongeloof of liever wat het betekent te geloven. Met een leugentje om bestwil wil Abram de kloof dichten tussen de tegenstellingen in het bestaan namelijk, die tussen leven en dood, de feminiene en masculiene kant van de mens, welvaart en tegenslag. Abram wil die tegenstellingen graag voor zijn.

Het gat tussen die polen echter, is precies het gat waarin de gelovige mag staan en waarin zij of hij het moet hebben van geloof. Als het een mens, zoals Abram in het verhaal, ontbreekt aan geloof kan zij in een soort paniekreactie allerlei uitspraken doen en activiteiten ondernemen om een verschil zo dicht te timmeren dat er niets meer kan doorkieren. Het idee van ‘alles onder controle hebben’, zou een gelovige Hebreeër doorgeslagen vinden, omdat een mens dan geen openingen meer biedt die vragen om een houding van geloof. In dit verband is er een belangrijk woordpaar dat het hele Oude Testament doortrekt en dat ook bepalend is voor het godsbeeld en het mensbeeld in onze tekst namelijk, dat van chesed en emed.

Het woord chesed betekent ‘genade’ of ‘bestendige liefde’ en duidt op stabiliteit en de verbondstrouw tussen mens en God. Emed staat voor waarheid. Zij vormen twee kanten van dezelfde medaille: het zijn eigenschappen die aan God worden toegekend en die moeten voorkomen dat de mens in een levenshouding van ongeloof haar of zijn toekomst zeker wil stellen.

Want, die toekomst zeker willen stellen, volstaat dat om als mens te leven? Een Jood zou die vraag negatief hebben beantwoord vanuit de overtuiging dat een mens een niet al te gevestigd bestaan leidt. Hij leeft van weinig, bouwt geen complete koninkrijken, staat klaar om zijn tent vandaag nog af te breken en weer verder te reizen. De gelovige jood verlaat zich op een oerintuïtie en leeft los. Je ziet die instelling terugkeren in de Joodse levensstijl die een antipathie heeft ten aanzien van ‘bewaren en oppotten’ en die leeg wil maken en ruimte scheppen. Ik denk in het bijzonder aan het vieren van Pesach, het Joodse paasfeest, dat symbool staat voor ‘het ongerezen, ongegiste leven’. Chesed en emed staan garant voor ‘een juist midden’, waarin je het als gelovige uithoudt met het streven naar autonomie, hartstochten die soms moeilijk te beheersen zijn, grenzen waar een gelovige tegenaan kan lopen en het voeren van competitie in haar verhouding tot de medemens.

Voor Abram hield geloof in dat hij niet kon terugvallen op eigen slimheid en zich ‘in den vreemde’ over diende te geven aan andermans leiding. Abram zal ‘de kunst van het loslaten’ uiteindelijk leren en Sarai door zijn vermetelheid toch niet tot een lotgeval maken. Want als hij op een tweesprong staat en groot profijt kan hebben door zelf het voortouw te nemen en zich als eerste een stuk land toe te eigenen, laat hij zijn eigen belangen varen. Lot als eerste te laten kiezen en hem voor te laten gaan kun je als een daad van geloof lezen. Nu Lot een rijke en vruchtbare vlakte uitzoekt, blijft voor Abram de westelijke helft van Palestina over: een bergrug en een zeekust. Later worden de verhoudingen weer omgedraaid. Lots toekomst ziet er veel minder rooskleurig uit dan op het eerste gezicht leek. Zijn eerste keus wordt in twijfel getrokken.

Het thema of liever ‘de religieuze moraal’ die in de eerste tekst centraal staat en ook doorklinkt in de brief van Paulus, is dat wie zich gelovig verhoudt tot een nieuwe werkelijkheid soms een stapje terug mag doen. De gemeente waartoe Paulus zich in de brief aan de Filippenzen richt, heeft een andere ordening dan de joodse geloofsgemeenschap en heeft daarom Paulus’ aansporingen nodig om de verhoudingen binnen de gemeente te herstellen. De brief is een proeve van gemeenteopbouw. De verhoudingen in Filippi waren scheefgegroeid, doordat te vaak een kleine kern het voortouw nam en bepaalde mensen niet uit de verf kwamen. Christus is voor Paulus het prototype van de ideale mens, zijn favoriete voorbeeld en rolmodel voor het mens-zijn. Die mens is een paspop waarnaar Paulus de gemeente modelleert en haar gewaad passend maakt. Hij beschrijft houdingen die deze godmens aanneemt, die in dienst staan van herstel. Een voorbeeld van een dergelijke houding is afstand te nemen van ‘succes’ en de weigering om van gunstige resultaten te profiteren. En in die act is een mens bijna goddelijk. Mens-zijn? Dan groots!

Paulus is zo in de wolken van die meesterlijke zet, dat hij haar bezingt in een christologische hymne die in twee coupletten uiteenvalt. In het eerste couplet heft hij een loflied aan op de ontlediging. Je ontdoet je van jezelf, doet afstand van invloed, bent afwezig, geeft iets op en dan kun je ‘werelds gezien’ flink omlaag kelderen. Dieper kun je soms niet zinken en lijkt alles voor je verloren. Een existentieel nulpunt is bereikt. En dan komt ‘hemels gesproken’ het tweede couplet: de verhoging. Want lang zal de mens leven in de gloria. Dit is precies de zet waardoor de mens op de religieuze ranglijst met stip stijgt naar nummer één.

De ideale mens is er voor Paulus één die de eigenschap en deugd van het opgeven van het eigen streven in praktijk brengt. Die mens verkrijgt een goddelijke status en beantwoordt aan haar twee naturen. Het is een neergaande en opgaande beweging, waarin een mens die haar of zijn eigen belangen goed kent en zichzelf weet te verkopen zich kan oefenen, om op die wijze ruimte te creëren voor een ander.

Amen

Zondag 16 januari 2022, Christus Triumfatorkerk Den Haag, zondag 30 januari 2022, Open Pastoraat Gorinchem & zondag 6 februari 2022, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van 2 Kronieken 36:14-23 en Lucas 15:11-32 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 januari 2022 om 10.00 uur in de Christus Triumfatorkerk te Den Haag, op zondag 30 januari 2022 om 9.00 uur in de Johanneskerk van het Open Pastoraat Gorinchem en op zondag 6 februari 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

Aan menig dorp of plaats is een historische vereniging of stichting verbonden. Zo ook aan Nieuwkoop. Het Historisch Genootschap Nieuwkoop, dat in 1987 werd opgericht, stelt zich ten doel belangstelling voor de geschiedenis van de drie kernen van de gemeente Nieuwkoop, dat zijn Nieuwkoop, Noorden en Woerdense Verlaat, te bevorderen. Het genootschap probeert dat doel te bereiken door historisch-culturele voorwerpen en documenten tentoon te stellen, alsook karakteristieke gebouwen, monumenten en dorpsgezichten te behouden. In het boek 2 Kronieken, dat we wel als het verslag van ‘het historisch genootschap’ van het Oude Testament kunnen zien, gebeurt iets vergelijkbaars.

Het boek 2 Kronieken is een chronologisch geordend verslag waarin tal van belangrijke feiten worden opgesomd. We kunnen 2 Kronieken lezen als een verzameling van tabellen waarmee de kroniekschrijver een verband wil leggen tussen de tijdrekening van de geschiedenis van de hoop van Israël en de historische context. Het was voor de kroniekschrijver nodig temidden van het woeden der gehele wereld een spoor te traceren van geestelijk welzijn. Voor een astronoom is dat een ster in lichte luister die ons als een vurig verschiet tegenstraalt. Voor de Aziatische dichter die naar het uiterste zuiden is afgereisd om de zon te zien opkomen en in lotushouding te aanbidden, is het een nieuw lied dat opdaagt, terwijl de nacht nog huivert. Voor de kroniekschrijver is het een lijst waarin gegevens chronologisch zijn gerangschikt, omdat hij op die manier overzicht kan aanbrengen. Tal van gewelddadige gebeurtenissen deden zich in de leefomgeving van de kroniekschrijver voor en hij kon er kop noch staart aan vinden.

De dood van een koning, een groep Joodse mensen die in ballingschap verkeerde, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, de gevangenneming van een koning; het waren gebeurtenissen die in een kort tijdsbestek werden voltrokken. Dat deze gebeurtenissen door mensen in gang werden gezet, was voor de kroniekschrijver duidelijk. Hij was er dagelijks getuige van en kon ze per geval beschrijven. Maar om te begrijpen hoe deze geweldsdaden ontstonden, en welk perspectief hij zijn lezeressen en lezers in het vooruitzicht zou stellen, daarvoor diende hij brute kracht en boze handelingen van een afstand te bekijken. Hij kon er niet middenin gaan zitten, er deel van uitmaken, maar had voor een begrip van zijn tijd nodig er als het ware naast te gaan staan.

We kunnen de keuze van de kroniekschrijver om niet actief op te treden tegen de gewelddadigheid waarvan hij getuige was, uitleggen aan de hand van het taoïstische begrip wu wei. Wu wei betekent ‘de natuur z’n gang laten gaan’. Een persoon die het wu wei-principe hanteert, maakt een inschatting van waar wel en waar niet op in te gaan. Wu wei is geen weigering je te engageren wanneer iemand bijvoorbeeld in nood verkeert. Het vormt eerder een besluit om je ergens niet mee in te laten waarvan je kunt inschatten dat het onveranderlijk is. 

De kroniekschrijver geeft de gebeurtenissen niet heel sec weer, maar maakt er een samenhangend verhaal van door zijn verhaal sterk religieus-literair neer te zetten. Met behulp van dat religieus-literaire karakter, dat we kunnen zien als een zingevingstaal, schept de kronist samenhangen die in een strikt historische beschrijving onderbelicht blijven. We zouden zijn kroniek kunnen lezen als een handboek in de Joodse religiegeschiedenis. En de kronist doet in zijn kroniek een belangrijke stap ten opzichte van de klassieke oudheid: hij ziet de gebeurtenissen in zijn tijd niet in het licht van een tragiek. Hij neemt afscheid van het idee dat gebeurtenissen tragisch, onontkoombaar zijn, omdat hij niet gelooft in het lot. De gedachte dat een hoofdpersoon ten onder gaat aan haar of zijn verzet tegen ‘een hogere macht’ of waarin deze voor een dilemma wordt geplaatst, gaat voor de kronist niet op.

In het wereldbeeld van de kronist vinden gebeurtenissen niet plaats volgens een gefixeerde afwikkeling, waar je als mens geen invloed op kunt uitoefenen, en waar je in zou moeten berusten. Voor de kronist is er geen ‘loop der dingen’, ‘de gang van de geschiedenis’ of ‘het heeft zo moeten zijn’. Iedere vorm van ‘voorbeschikking’ of determinatie is hem vreemd. De kronist is een kronist, geen tragedieschrijver en dus zal ook zijn afsluitende hoofdstuk geen droevig slot kennen. Al wordt er een tempel met de grond gelijkgemaakt, hij staat erop dat er een nieuw gebouw zal worden opgetrokken. De ballingschap? Die interpreteert hij als een puritein avant la lettre als de vervulling van de profetieën van Jeremia. Een vernietigde metropool? Die is te herbouwen. De gedeporteerde koning? Om zijn terugkeer en die van de Joden uit het strafkamp te garanderen, bewerkt de kronist, als was hij lid van een historische vereniging, een citaat uit een edict. Geschiedenis, getuige het optreden van de kronist, is een creatieve bezigheid: ze staat niet vast, je kunt haar sturen en scheppen. In die overtuiging kan de kronist zaken makkelijk omdraaien: hij eindigt zijn verslag met een triomfkreet waarin hij het aantreden van een heidense koning als een groot succes beschouwt voor de wederopbouw van een cultuur, de bevrijding van klein gehouden mensen en het schetsen van een toekomstperspectief dat gekenmerkt wordt door peis en vree.

Zowel 2 Kronieken zesendertig vers veertien tot drieëntwintig als Lucas vijftien vers elf tot tweeëndertig zijn in de eerste plaats verliesverhalen. De kronist zoekt naar een omgang met de terreur van zijn tijd en de evangelist schetst een parabel waarin dood en neergang worden uitgebeeld. De Odyssee van de jongste zoon leidt niet tot het ontwikkelen van een volwassen persoonlijkheid. De jonge mens die verlangt naar een zelfstandig bestaan en iets van de wijde wereld wil zien, groeit, ondanks de avonturen die hij beleeft en waarvan we zouden verwachten dat ze zijn persoonlijkheid zouden rijpen, niet op. Hij lijdt identiteitsverlies, doordat hij zijn religieuze roots ontkent en ‘overal bij wil zijn’. In de parabel wordt dat identiteitsverlies geaccentueerd door de jongen varkens te laten hoeden; voor een jood een verschrikking.

De jongste zoon absorbeert het leven, benut elke mogelijkheid, experimenteert er op los en accepteert noch noodzaak noch beperking. De jongste zoon heet niet voor niets ‘de jongste zoon’. Hij wordt niet bij een voornaam genoemd, bezit nog geen eigen identiteit behalve één die relaties benoemt. Deze jongen is op zoek naar zichzelf, wil genieten, er het eens goed van nemen, totale bevrediging smaken.

Ver van huis hangt aan het snelle leven vaak een prijskaartje. Wanneer hij zijn erfenis opvraagt die het product is van investeren, rijpen en bewaren, begint de jongen te vroeg met de volwassenheid. De jongste zoon wil op eigen benen staan. Hij is geen vaderskindje, hangt niet aan moeders rokken. En met dat hij zichzelf te voorbarig losrukt van het ouderlijk huis, ontkent hij iedere verhouding tot mensen die hem in het leven hebben geroepen. In de religieuze visie van de auteur van het Lucasevangelie heeft een mens die zichzelf wil zijn het nodig iemand boven zich te erkennen. Voor een gelovige is God de hulp waarmee het zich kan verliezen met als doel zichzelf uiteindelijk te winnen. Meebewegen met een ‘kracht’ waartoe een mens in verhouding staat en die van invloed is op het vermogen een eigen identiteit te ontwikkelen. Niet tegen de aard van dingen ingaan die hun beloop hebben en onveranderlijk zijn, zou de Taoïst zeggen.

Het probleem dat in de tekst wordt aangekaart, is dat deze jongen zichzelf wil worden op basis van zijn eigen termen. Doordat hij geen perspectief accepteert dat hem wellicht iets te zeggen heeft en waarmee een grens aan hem wordt gesteld, ontwikkelt hij in plaats van een waarachtig zelf een fabelachtig zelf. Hij komt dan ook niet roemoverladen, gekleed in een hofgewaad met een promotie thuis, maar berooid, met niets. Hij is zowel zijn mondigheid kwijtgeraakt alsook zijn hele hebben en houden. Zijn kleding is tot op de draad versleten, het zelf dat hij wilde worden is ontbonden. En toch wordt naar christelijk getuigenis geloofd dat uitgerekend de situatie waarin er nog weinig van een mens over is, de toestand is waarin de ander ons moet vinden. In de lege-handen-conditie gaat God niet van ons heen, maar kan geestelijke zelfwording pas echt beginnen. Want wanneer een mens zichzelf eenmaal uit handen geeft aan degene die zij of hij niet kan zien, kan er een begin worden gemaakt met herschepping, zeg met de vorming van een religieus zelf. Soms is nodig dat een mens, vooral één die iemand wil worden, zich door een ander, zeg de hemel, laat helpen, om in harmonie te raken met zichzelf en de omgeving, een evenwicht te bereiken.

Het moment waarop iemand, uitgevochten en uitgeput, de eigen vertwijfelde zelfstandigheid opgeeft, de teugels van de, modern uitgedrukt, autonomie laat varen, is er religieus gezien sprake van bekering. Het markeren van dat keerpunt hoeft niet, zoals in de gelijkenis, met het opdreunen van een geijkt, verontschuldigend zinnetje. Het enige dat nodig is, is dat een mens die zichzelf wil zijn, de zorg en het meedenken van de ander kan toelaten. De act van die instemming belooft, gezien bekeringsverhalen, een groots avontuur.   

Amen